Je vak versterken door deelname aan ontwikkeling richtlijnen

Leden van de BPSW werken regelmatig mee aan richtlijnen in het sociaal werk. Daarmee leveren zij een belangrijke bijdrage aan goede zorg en hulp voor cliënten, en behartigen zij de belangen van hun beroepsgroep. Jacqueline Boekhoff (medisch maatschappelijk werker) en Jan Pieter Meijer (Spoedeisende jeugdzorg) vertellen over hun motivatie en ervaringen.

Gezondheidszorg maatschappelijk werk
Jacqueline Boekhoff: ‘Ik werk mee aan de nieuwe Richtlijn Cystic Fibrosis, ook bekend als taaislijmziekte. Het gaat om een bestaande medisch-verpleegkundige richtlijn die nu een update krijgt, waarbij gevraagd is om ook de psychosociale zorg goed op te schrijven. Ik vind het belangrijk dat ons beroep letterlijk genoemd wordt in protocollen en kwaliteitsstandaarden, en dat het zichtbaarder is wat maatschappelijk werkers doen.

Onze expertise is belangrijk voor goede zorg. We zijn er niet alleen voor de regeldingen, we geven ook psychosociale zorg, zijn systeemgericht en hebben veel kennis van de sociale kaart. Het vastleggen van onze expertise geeft houvast voor onze collega’s, maar ook voor andere behandelaars en cf-teams. Ik vind het leuk om op deze manier mee te denken over beleid. Ik zit al bijna 30 jaar in het vak, en ik wil mijn ervaring op beleidsmatig niveau inzetten.

Waar we wel tegenaan lopen is dat het medische model dat in deze multidisciplinaire richtlijn wordt gebruikt voor ons vak niet op gaat. Dat model is gebaseerd op wetenschappelijke onderzoeken en literatuur. Dat is er nauwelijks over psychosociale zorg in een medische setting. Er werd daardoor veel meer input en tijd van ons gevraagd in de researchfase dan van te voren bedacht was. Dan is het belangrijk om een maatje te hebben in de werkgroep waar je mee kunt sparren, zoals ik heb met mijn twee collega maatschappelijk werkers. We zitten op een lijn, motiveren elkaar en hebben dezelfde visie op zorg. Het maakt mij trots dat wij samen staan voor ons vak. Ook de samenwerking met de psychologen in onze werkgroep is erg prettig. We trekken samen op om de patiëntenzorg te verbeteren. Ik kijk ernaar uit om in de herfst aan het schrijfproces te beginnen.’

Jeugdzorg
Jan Pieter Meijer: ‘Ik heb als Crisisinterventor Spoedeisende Jeugdzorg meegewerkt aan drie richtlijnen: de Richtlijn Crisisplaatsing, Uithuisplaatsing en Kindermishandeling. Het was een kans om mijn vak te vertegenwoordigen, en verder gestalte te geven naast de beroepscode en het tuchtrecht. Ik vond al jaren dat crisisplaatsingen en uithuisplaatsingen beter konden. Zowel in de beoordeling als in de uitvoering. Daar wilde ik aan bijdragen.

Ik zat in een werkgroep met orthopedagogen en gedragswetenschappers. Mijn rol was om alle onderzoeken en conceptteksten te lezen en te toetsen aan de praktijk. Is dit relevant? Werkt dit in de uitvoering van het werk? Missen we dingen?

Er zijn maar een paar vormen van hulp in mijn vakgebied die wetenschappelijk onderzocht zijn. Dingen waarvan  ik weet dat die goed werken in de praktijk zijn vaak niet hard te maken vanuit de wetenschappelijke hoek. We zijn daarom gaan kijken: welke methodes zijn wel bewezen effectief, wat zijn de werkzame elementen daarin, en wat maakt dat die elementen goed werken? Ik vond het interessant en leuk om een brug te slaan tussen wat wetenschappelijk beschreven is en de praktijk.

Er kwam een goede richtlijn uit met belangrijke adviezen, handvatten en gedetailleerde tips. Ik ben trots op het resultaat. In de Richtlijn Crisisplaatsing staat bijvoorbeeld dat er altijd gebruik gemaakt moet worden van de expertise van de crisisdiensten, en dat mensen die niet in ons vak zitten niet zomaar een uithuisplaatsing mogen adviseren. Ook staat er in dat er gezamenlijke besluitvorming moet zijn met ouders.

De bekendheid van de richtlijnen mag echt nog een stuk beter. De richtlijnen zijn niet vrijblijvend, ze zijn leidend in ons werk. Daar moeten jeugdprofessionals zich bewuster van zijn. Ik wil iedereen oproepen om zich bij het NJI te melden voor de netwerkbijeenkomsten. Daarin kunnen organisaties en professionals leren van elkaars ervaringen als het gaat om werken met de richtlijnen.’