Veelgestelde vragen in het Jeugddomein over beroepsethiek, beroepscode, privacy & geheimhouding en tuchtrecht

Hier vind je veelgestelde vragen over beroepsethiek, beroepscode, privacy & geheimhouding en tuchtrecht.

 

  • Als ik afwijk van een richtlijn, kom ik dan in de problemen met het tuchtrecht?

    Richtlijnen maken onderdeel uit van de professionele standaard. Binnen het tuchtrecht wordt een professional na een klacht van een cliënt getoetst aan de algemene tuchtnorm, en daarvan maakt de professionele standaard een belangrijk onderdeel uit. Richtlijnen worden gezien als de vakinhoudelijke standaard, naast de beroepsethische standaard zoals beschreven in de beroepscode voor de jeugd- en gezinsprofessional.

    Verschil richtlijn en protocol
    Richtlijnen worden vaak opgevat als protocollen, maar er is een verschil. Een protocol is een handelingsprocedure die je moet volgen zoals beschreven. Vaak richt een protocol zich op heel concrete situaties. Ik neem even het voorbeeld van het weglopen van een jeugdige in een residentiële setting. Wanneer dat voorkomt, is het voor alle betrokken fijn dat er een voorschrift tot handelen ligt wat heel precies alle opvolgende stappen beschrijft. Op zo’n moment is de chaos groot, en is het bijna onmogelijk om rationeel tot een zorgvuldige wijze van handelen te komen. Logisch, want er gebeurt van alles, en dat kan ervoor zorgen dat je cruciale stappen mist. Een protocol moet je dus eigenlijk zonder nadenken over de zin en onzin ervan, opvolgen.

    Richtlijn
    Een richtlijn is gebaseerd op kennis over wat werkt in een bepaalde situatie. Maar bij een richtlijn heb je het denkproces van de professional juist nodig om te kijken of de aanbevelingen in een richtlijn ook daadwerkelijk passen bij de situatie en de betrokkenen. Bij een richtlijn is het devies: pas toe of leg uit. Je volgt dus de aanbevelingen in een richtlijn – die meestal al ruimte biedt aan meerdere routes – tenzij je meent dat dit voor de specifieke situatie niet passend is. Je moet dan heel goed onderbouwen (‘leg uit’) waarom je de aanbevelingen van de richtlijn niet hebt opgevolgd. Als je daarvoor goede argumenten hebt, die in het belang van de cliënt zijn, dan is het juist professioneel dat je niet slaafs een procedure volgt, maar oog hebt voor de specifieke kenmerken en context van de cliënt.

    Even terug naar de basisvraag: moet je een richtlijn volgen? Nee, maar richtlijnen maken-zoals gezegd-deel uit van de professionele standaard. Op het moment dat je een casus hebt waarbij één van de 14 richtlijnen een rol speelt, dan moet je die richtlijn erbij betrekken. In de beroepscode wordt benadrukt dat de jeugd- en gezinsprofessionals zijn beroep deskundig uitoefent, op basis van actuele kennis en in nauwe aansluiting op ontwikkelingen in het werkveld.

    Afwijkende route
    Er zijn dus twee belangrijke redenen waarom je niet om richtlijnen heen kunt: ze zijn onderdeel van de professionele standaard en de beroepsethische normen verplichten je om ze zorgvuldig te betrekken bij toepasbare situaties. Maar op basis van het pas of leg uit principe hoef je ze niet slaafs te volgen. Je mag een afwijkende route kiezen, maar die moet je dan wel heel goed onderbouwd hebben. Die onderbouwing heb je nodig op het moment dat er een klacht tegen je wordt ingediend. Voordeel van het ‘denkwerk voorafgaand aan je handelen’ is dat je eigenlijk de onderbouwing al klaar hebt wanneer er een klacht komt. Nog zorgvuldiger is het om de cliënt al mee te nemen in jouw overwegingen omtrent het volgen of onderbouwd afwijken van een richtlijn. Zo geef je ook de beroepsethische norm ‘overeenstemming omtrent de hulp- en dienstverlening vorm (artikel G in de beroepscode voor Jeugd- en Gezinsprofessionals) vorm.

    Spreekuur
    Heb jij ook een vraag over richtlijnen, de beroepscode of het tuchtrecht? Stuur dan een mail naar het spreekuur voor praktische, juridische en beroepsethische vragen via spreekuur@bpsw.nl

  • Kun je worden aangesproken binnen het tuchtrecht wanneer je een methodiek niet goed uitvoert?

    Binnen het tuchtrecht wordt het handelen van professionals getoetst op de ‘professionele standaard’. Professionele standaarden bevatten een vakinhoudelijke en een beroepsethische component. De tuchtcolleges van de jeugd- en gezinsprofessionals hanteren de beroepscode en de richtlijnen Jeugdhulp als kaders om het handelen te toetsten. Methodieken en interventies maken daar formeel geen deel vanuit, maar zowel de beroepscode als de richtlijnen zijn wel te relateren aan methodieken.

    In richtlijnen staat welke interventies je bij welke problemen kunt inzetten. Die interventies zijn allemaal getoetst op effectiviteit. Je kunt je voorstellen dat je alleen het verwachte en gewenste effect kunt bereiken wanneer de interventie zo wordt uitgevoerd zoals beschreven is. Er is altijd een zeker handelingsruimte bij een methodiek, maar die mag de kern van de effectiviteit niet te veel aantasten. Een programma dat uit 20 bijeenkomsten bestaat verkorten tot 10 bijeenkomsten, tast de effectiviteit waarschijnlijk behoorlijk aan. Je kunt alleen afwijken als je beargumenteerd laat zien dat de effectieve kern intact blijft. In die zin is ‘programma-integriteit’ (een interventie uitvoeren zoals bedoeld) wel degelijk relevant voor een richtlijn, en dus ook voor het tuchtrecht.

    Artikel B
    In de beroepscode staat in artikel B dat een jeugd- en gezinsprofessional zijn werk deskundig en op basis van actuele kennis uitvoert. Een methode kan een vorm zijn van actuele kennis of recente inzichten. Dus nog los van de inhoud van richtlijnen, ben je als professional steeds alert op nieuwe methodieken of aanpassingen van bestaande methodieken. En als er nieuwe inzichten zijn, dan dien je die te integreren in je handelen.

    Kortom: een methodiek maakt formeel geen onderdeel uit van de professionele standaard, maar een zorgvuldig gebruik van methodieken hangt wel degelijk samen met beroepsethische normen en vakinhoudelijke richtlijnen.

  • Ben je verplicht om cliënten te informeren over het tuchtrecht?

    Het is gebruikelijk dat cliënten gewezen worden op hun recht om te klagen bij de instelling (klachtrecht). En in die lijn is het inderdaad ook de bedoeling dat professionals cliënten informeren over de mogelijkheid om een tuchtklacht in te dienen.

  • Wat gebeurt er als een cliënt klaagt over iets dat in een multidisciplinair team is besloten? Wordt dan alleen de raadsonderzoeker aangeklaagd?

    Een organisatie kan niet worden aangeklaagd bij tuchtrecht. Dat kan wel bij klachtrecht. Een beslissing uit het (multidisciplinair) teamoverleg is dan ook nooit onderwerp van een klacht bij tuchtrecht (want dan is deze niet-ontvankelijk).

    Het gaat dus altijd om die individuele werker (ook gedragswetenschappers, niet alleen jeugd- en gezinsprofessionals of sociaal werkers vallen onder tuchtrecht). Als jij het niet eens bent met wat er wordt besloten in een multidisciplinair overleg, maar je bent wel degene die het besluit moet uitvoeren zal je opnieuw onderbouwd met artikelen uit de code moeten aangeven en onderbouwen waarom je (een gewetens)bezwaar hebt, of waarom jouw professioneel handelen in de knel zit. Je zou dan een dergelijk besluit niet moeten hoeven uit te voeren. Een collega die deze bewaren niet kent kan dat doen.

  • Kan ik weigeren om een nieuwe casus aan te nemen wanneer ik de kwaliteit van handelen niet kan waarborgen?

    Wanneer je als professional niet op één lijn zit met je organisatie, dan kan dat heel frustrerend zijn. Zeker wanneer je het idee hebt dat je de verantwoordelijkheid om ‘goed werk’ af te leveren, niet kunt waarmaken. Werk weigeren lijkt dan een manier om die spanning op te lossen. Wij zien dat echter als laatste redmiddel, wanneer alle andere opties op niets zijn uitgelopen.

    De eerste stap is een gesprek met de organisatie. Het is daarbij van belang om de beroepscode mee te nemen. Hoe duidelijker je kunt uitleggen waar het ‘knelt’ ten aanzien van concrete artikelen uit de code, hoe beter. De organisatie waar je werkt hoeft zich niet aan de code te houden, maar is er bij wet wel aan gehouden om professionals die zich aan de beroepsnormen moeten houden, daarin te faciliteren en ondersteunen. Ze kunnen de beroepscode dus niet naast zich neer leggen.

    Professioneel statuut
    Gecertificeerde Instellingen beschikken over een professioneel statuut. In dat document staat hoe de organisatie wil omgaan met de spanningsvelden die kunnen ontstaan tussen organisatiebeleid en de professionele standaard.

    Heeft jouw organisatie (nog) geen professioneel statuut? Probeer dan – bijvoorbeeld via de OR – in ieder geval de discussie over de spanningsvelden aan te zwengelen. En onderzoek of ook zonder officieel statuut toch afspraken te maken zijn over ‘wat-te-doen’ wanneer de professionele en organisatielogica botsen.

  • Wanneer mag of moet ik mijn geheimhoudingsplicht doorbreken?

    Uitgangspunt van de verantwoordelijkheid tot geheimhouding is dat je niets deelt wat je in de vertrouwelijke hulpverleningsrelatie ter ore is gekomen. Daar zitten wel enkele grenzen aan. Want wat moet je doen als je informatie hebt die de cliënt of anderen kan beschermen? Men spreekt dan over een conflict van plichten. Namelijk de plicht tot geheimhouding en de plicht tot bescherming.

    Wel delen
    Informatie delen over een cliënt kan in elk geval wanneer je toestemming hebt van de cliënt. Of wanneer je informatie deelt met een collega die direct bij het traject betrokken  is. Er zijn ook wettelijke bevoegdheden (meldcode) en wettelijk plichten (informatieplicht aan gezinsvoogd) die het mogelijk maken om ook buiten toestemming gegevens te delen.

    Conflict van plichten
    Een zogeheten ‘overmacht in het kader van een conflict van plichten’ kan een uitzondering vormen op de plicht tot geheimhouding. Hoe je moet omgaan met een conflict van plichten (de plicht om te zwijgen tegenover de plicht om te spreken) is niet in de wet geregeld. Er zijn echter wel uitspraken van rechters (jurisprudentie) die een oordeel hebben geveld over het doorbreken van de geheimhouding.

    Praktijkkader: 6 vragen
    Die jurisprudentie heeft geleid tot een praktijkkader met een aantal criteria. Dit praktijkkader wordt gebruikt in de medische zorg, de GGZ en is ook toepasbaar in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Aan de hand van 6 vragen kun je een afweging maken bij een conflict van plichten. Alleen wanneer je deze vragen zorgvuldig hebt doorlopen, kun je je beroepen op ‘overmacht door een conflict van plichten’, wanneer je besluit om je plicht tot geheimhouding te doorbreken.

    1. Toestemmingsvereiste: Heb je als professional alles in het werk gesteld om toestemming van de cliënt te krijgen om de informatie te delen?
    2. Schadecriterium: levert het niet doorbreken van de plicht tot geheimhouding naar alle waarschijnlijkheid schade op voor de cliënt of anderen?
    3. Subsidiariteitsbeginsel: Zijn er ‘betere’ of minder ingrijpende mogelijkheden voorhanden om de schade af te wenden. Oftewel: is er echt geen andere mogelijkheid om de schade te voorkomen dan het doorbreken van de geheimhouding?
    4. Proportionaliteitsbeginsel: welke informatie is voor wie precies nodig om de schade af te wenden? Hoe kun je de schade voorkomen en toch zo min mogelijk van het geheim prijsgeven? Oftewel, staat het belang van de cliënt of anderen in redelijke verhouding tot de feitelijke schending van de plicht tot geheimhouding?
    5. Doelmatigheidscriterium: is het naar jouw inschatting vrijwel zeker dat het doorbreken van de geheimhoudingsplicht de schade voorkomt? Oftewel ‘heiligt het doel het middel’?
    6. Gewetensnood: In hoeverre brengt het conflict van plichten jou als professional in gewetensnood?

    Handreiking privacy en geheimhouding
    Privacy en geheimhouding is een ingewikkeld thema. De BPSW heeft er een uitgebreide handreiking over geschreven, waarin alle wettelijke kaders worden gerelateerd aan de beroepsethische normen. De handreiking is voor leden van de BPSW gratis te downloaden. Niet-leden kunnen een exemplaar bestellen.
    Naar de handreiking. 

  • Welke informatie moet ik als jeugd- en gezinsprofessional in een dossier opnemen? Zijn er ook dingen die ik niet mag opnemen?

    Als professional in de jeugdhulp en jeugdbescherming leg je een dossier aan van je cliënten en het hulpverleningstraject.

    Een zorgvuldig opgebouwd dossier heeft meerdere doelen:

    -een goed hulpverleningsproces
    -verantwoording aan de cliënt
    -eventuele overdracht aan een collega
    -samenwerking met derden.

    Een zorgvuldig opgebouwd dossier betekent dat je nadenkt over welke informatie je op welke manier opneemt.

    Feiten scheiden van professionele interpretatie
    Over het algemeen wordt als belangrijk aandachtspunt gesteld dat je feiten van je professionele interpretatie onderscheidt. Dat betekent dat beiden een plaats verdienen in het dossier, maar dat duidelijk is welke informatie tot welke categorie behoort.

    Een feit kan zijn dat een jeugdige meer dan gemiddeld verzuimt op school. Daaruit zou je de conclusie kunnen trekken dat er iets aan de hand is. Die conclusie is geen feit, maar een interpretatie. Je bent als professional betrokken bij een cliënt om te interpreteren, dat is een belangrijk deel van je functie. Maar het is dan wel zaak dat duidelijk is waarop je je baseert (feiten, signalen van anderen, de informatie die je van cliënten krijgt, je eigen waarnemingen, etc.). De conclusie die je trekt moet navolgbaar zijn, in de zin dat je inzichtelijk maakt welke denkstap je op basis van welke informatie zet.

    Het is belangrijk om naast je eigen interpretatie ook de interpretatie van cliënten mee te nemen in het dossier. En dat ook van die passage duidelijk is wat de bron en de aard is van de informatie.

    Doelbindings-eis
    In de praktijk is het nog wel eens gebruikelijk om alle informatie die je maar kunt verzamelen, aan het dossier of andere registratiesystemen toe te voegen. Echter: de ‘doelbindings-eis’ in de privacywetgeving verlangt dat je alleen de informatie en gegevens verwerkt die voor jouw doel – namelijk doeltreffende hulpverlening van goede kwaliteit – relevant is. De informatie of gegevens die aantoonbaar samenhangen met de ‘grond’ of het doel en de cliënt of het cliëntsysteem betreffen, mag je vastleggen. Het is ‘need to know’ informatie. Want zonder die informatie zou je je doel met deze specifieke cliënt niet kunnen bereiken.

    ‘Nice to know’
    Er wordt echter ook heel veel ‘nice to know’ informatie opgeslagen. Gegevens waarvan je als professional denkt dat het mogelijk nog wel eens van pas komt. Of handig om te weten als je je een beeld wilt vormen van het bredere sociale netwerk.

    Uitleggen
    Wanneer je voor alle informatie kunt uitleggen waarom het voor de cliënt en het traject belangrijk is om te bewaren en vast te leggen, zit je goed. Wanneer je van jezelf weet dat je een neiging hebt tot hamsteren, bevraag je zelf dan eens kritisch waarom je dat doet. Niet omdat het per se ‘verkeerd’ is, maar waarschijnlijk gaat het dan niet meer (alleen) om het belang van de cliënt. Voel je op een of andere manier de druk om je tegenover anderen dan je cliënt te moeten verantwoorden?

    Het uitgangspunt is eigenlijk heel simpel: alles wat je vastlegt en waarvan je dat ook met professionele argumenten kunt onderbouwen (cliënt, grond en doel) is prima. De rest: even goed nadenken of het echt nodig is.

    Spreekuur
    Heb jij een concrete vraag over een praktijksituatie over het dossier en wat je mag vastleggen? Stuur dan een mail naar het spreekuur voor praktische, juridische en beroepsethische vragen via spreekuur@bpsw.nl

  • Als ik een dilemma in een casus heb besproken in een moreel beraad, moet ik daarvan dan melding maken in het dossier?

    Dat ligt eraan. Soms bespreek je een casus in een beraad om zicht te krijgen op de morele kant ervan. Het beraad is dan een vorm van reflectie, waarbij de deelnemers aan het beraad elkaar bevragen en zo ‘op verhaal komen’. In dat geval gaat het wel over de concrete casus, maar heeft de uitkomt van het beraad geen gevolgen voor het handelen in de casus. In dat geval is het niet nodig om het in het dossier te vermelden.

    Maar soms dient een beraad ook om tot een weloverwogen besluit te komen, of om een handelingsrichting te bepalen. Het is dan niet nodig om te noemen dat het besluit in een beraad tot stand is gekomen, maar door het wel in het dossier op te nemen, geef je al aan dat je argumenten tot stand zijn gekomen door collegiale consulatie. Het strekt in dat geval tot aanbeveling om het besluit en de argumenten daarvoor in het dossier op te nemen.

    Het is dan wel zaak om alleen relevante informatie te geven. Net als bij alle andere informatie in het dossier is die ‘relevantie-toets’ van belang. Je mag dus niet onder het mom van ‘moreel beraad’ informatie in het dossier opnemen die onnodig de privacy van de cliënt of andere betrokken schendt. Bijvoorbeeld: stel dat je vanuit de eigen familiegeschiedenis van moeder weet dat fysiek geweld een beladen thema voor haar is. Dat kun je tijdens een beraad wel bespreken – het kan immers horen bij de morele complexiteit van de casus. Maar deze informatie mag je dan niet vervolgens in het dossier opnemen, ook al maakte het deel uit van ‘het besprokene’ in het morele beraad.

  • Mag een jeugdprofessional die niet geregistreerd is werken onder verantwoordelijkheid van een SKJ professional?

    De Jeugdwet vereist dat de taken en werkzaamheden binnen jeugdhulp en jeugdbescherming worden toebedeeld volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling. Leidend principe bij die norm is het principe ”pas toe of leg uit”. Hiermee wordt bedoeld dat er een hoofdregel is, waarvan mag worden afgeweken. Dit kan alleen als men aannemelijk kan maken dat de kwaliteit van hulp niet nadelig wordt beïnvloed, of dat deze juist gediend is met de inzet van een andere professional.

    1. Het besluit jeugdwet geeft twee mogelijkheden:De taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional. De jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en het college delen de taken toe met inachtneming van de specifieke kennis en vaardigheden van de geregistreerde professional.
    2. In afwijking van bovenstaande kan de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of het college anderen dan geregistreerde professionals met de uitvoering van taken belasten indien hij of zij aannemelijk kan maken dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed.

    Het meest simpele antwoord op de vraag is dus: ja, iemand die niet geregistreerd is mag werken onder verantwoordelijkheid van een SKJ professional.

    Kwaliteitskader Jeugd
    In het Kwaliteitskader Jeugd vind je veel informatie over het toepassen van de norm van de verantwoorde werktoedeling, en ook over het inzetten van een niet- geregistreerde professional.

    In het kwaliteitskader staat onder meer:

    Als een niet-geregistreerde professional in combinatie met een geregistreerde professional wordt ingezet dan zijn de volgende punten van belang:

    1. De jeugdige is beoordeeld (en gediagnosticeerd) door een geregistreerde professional.
    2. Het hulp(verlenings)- of behandelplan is, in overleg met de jeugdige, door een geregistreerde professional vastgesteld.
    3. De geregistreerde professional weet zich overtuigd van de bekwaamheid van de niet- geregistreerde professional die ingezet wordt.
    4. De geregistreerde professional laat zich tijdig en voldoende informeren door de niet- geregistreerde professional.
    5. De niet-geregistreerde professional kan terugvallen op, en houdt ruggespraak met de geregistreerde professional.
    6. Er is sprake van een evenwichtige verdeling tussen geregistreerde en niet-geregistreerde professionals (aandacht voor span of control van geregistreerde professional).
    7. De niet-geregistreerde professional vergewist zich ervan dat hij/zij beschikt over relevante gegevens van collega’s en informeert collega’s over gegevens en bevindingen die zij nodig hebben om verantwoorde hulp te kunnen verlenen.
    8. De betrokken professionals maken duidelijke afspraken over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot de hulp aan de jeugdige.

    Een belangrijke opmerking hierbij is dat de cliënt-gerelateerde indicatoren ruimte geven voor de inzet van een niet-geregistreerde professional in combinatie met een geregistreerde professional, maar dat taken die expliciet zijn voorbehouden aan geregistreerde professionals (de professional-gerelateerde indicatoren) ook echt worden toebedeeld aan geregistreerde professional.

    Hoe dat precies zit kun je nalezen in het Kwaliteitskader Jeugd, pagina’s 18-24.

  • Als je samenwerkt met een niet- geregistreerde collega, hoe zit het dan met jouw verantwoordelijkheid voor het handelen van deze collega?

    Je bent in het kader van tuchtrecht i.p. aanspreekbaar op jouw eigen handelen. Gebeurt er tijdens het werken iets waarvan jij vindt dat het onverantwoord is wat jouw collega (geregistreerd of niet) doet, is het jouw verantwoordelijkheid daar ‘iets’ mee te doen (bespreekbaar maken, melden, etc.). Jij bent niet verantwoordelijk voor de handelingen van de ander, maar dus wel voor de stappen die jijzelf onderneemt. ‘Wegkijken’ is dus geen optie: daarop ben jij aanspreekbaar.

  • Wat staat er in de beroepscode voor jeugd- en gezinsprofessionals over professionele autonomie?

    In de inleiding van de beroepscode staat de volgende passage:

    Een consequentie van de aanspreekbaarheid van de professional op zijn of haar beroepsethisch handelen is dat de professional beschikt over een zekere handelingsruimte. Deze ruimte om autonoom te handelen is het best te typeren als de vrijheid om de richting van het handelen in vaak complexe situaties te bepalen. Die vrijheid is nauw verbonden met de verantwoordelijkheid om daarover rekenschap af te leggen naar de cliënt, collega’s, de instelling en samenleving. 

     

    Professionele autonomie wil dus niet zeggen dat je uitsluitend op basis van persoonlijk inzicht of intuïtie handelt. De beroepscode, vakinhoudelijke richtlijnen, wettelijke kaders en functie-eisen vanuit de organisatie zijn richtinggevend. Een autonome professional weegt deze kaders zorgvuldig, reflecteert op zijn handelen en overlegt met collega’s en experts. Op die manier laat een professional zien dat hij de handelingsruimte die hij heeft op verstandige en verantwoordelijke ruimte inricht.

    Artikel P
    Daarnaast zijn er twee artikelen die samenhangen met de professionele autonomie van een jeugd- en gezinsprofessional: P en Q. Artikel P roept de professional op om de organisatie als beleidskader te aanvaarden. Dat betekent dat je niet op eigen houtje beslist om het anders te doen dan het organisatiebeleid voorschrijft. In de toelichting staat dat met name bij de aanvaarding van een functie, de professional toetst of de functie overeenkomt met de professionele standaard. De professionele standaard bestaat uit de beroepscode en de vakinhoudelijke richtlijnen.

    Artikel Q
    Artikel Q benadrukt nog eens dat het de verantwoordelijkheid is van de professional om ‘het beroepsmatig en functioneel handelen te toetsen aan de waarden en normen van het beroep’. Dat betekent dat een professional steeds alert is op signalen dat functionele vereisten die door de instelling worden bepaald, niet haaks staan op de professionele standaard.

    Professioneel statuut
    Als je constateert dat de functionele inhoud en de professionele standaard wel haaks op elkaar staan, dan is het je professionele verantwoordelijkheid om daar iets mee te doen. Veel organisaties hebben een professioneel statuut waarin de verantwoordelijkheden van organisaties en de verantwoordelijkheden van professionals zijn beschreven. En wat je kunt doen op het moment dat die niet in lijn zijn met elkaar. Heeft je organisatie geen eigen professioneel statuut? Dan kun je altijd terugvallen op het model professioneel statuut op de website www.professionaliseringjeugdhulp.nl.

  • Tuchtrechtelijke aansprakelijkheid bij ziekte/ vervanging van een collega JB of JR

    Volgens het besluit Jeugdwet, artikel 4.2.1 (Voogdij), 4.2.2. (OTS) en 4.2.3. (JR) is het nodig dat bij iedere cliënt een tweede contactpersoon wordt aangesteld, die bij afwezigheid, vakantie of ziekte aanspreekpunt is. Hoe verhoudt de aansprakelijkheid en de verantwoordelijkheid van de tweede contactpersoon zich tot onze SKJ registratie? Kun je als jeugdbeschermer dan direct verantwoordelijk worden gehouden voor de hulp die wordt verleend als je waarneemt bij vakantie of ziekte en mogelijk over de hulp/ lijn die (afwezige of zieke) collega heeft uitgezet?

    In de wet, maar ook in de CAO staat dat er een vervanger moet worden geregeld. Via het SKJ kunnen we er niet zomaar een nadere invulling voor vinden. Algemeen kan hierover het volgende worden opgemerkt:

    – de tuchtrechtelijke aansprakelijkheid strekt zich uit tot het eigen handelen. Dat geldt ook voor een goede overdracht en het kiezen van de juiste contactpersoon. Ook moeten er goede afspraken worden gemaakt / duidelijke instructies over wat de contactpersoon wel en niet doet of nalaat. Daarbij zal er in situaties van twijfel altijd intervisie/overleg moeten kunnen plaatsvinden met een derde of met degene die op vakantie is. De vervanger zal ook ten minste SKJ- geregistreerd moeten zijn. De vervanger zal ook geschikt moeten zijn om als vervanger op te treden door specialisatie, bekendheid met de doelgroep/cliënt etc.

    – Wat betreft de civielrechtelijke aansprakelijkheid geldt dat een werkgever daarvoor een verzekering moet afsluiten omdat de werkgever altijd aansprakelijk is, dat geldt ook voor een vervanger. Zelfstandigen doen er verstandig aan een verzekering af te sluiten voor zichzelf en een eventuele vervanger. Wanneer de vervanger een zelfstandige is, zal deze zichzelf ook voor beroepsaansprakelijkheid moeten verzekeren.